Hersenbloedingen

Wat is een hersenbloeding?
De meest gehoorde term in de volksmond in dit kader is de ‘beroerte’. Met een beroerte wordt bedoeld dat een deel van de hersenen beschadigd raakt door een probleem met een bloedvat. Dit probleem kan twee heel verschillende dingen zijn: een bloedvatverstopping of een scheur in een bloedvat. Als een bloedvat verstopt raakt, krijgt een deel van hersenen geen bloed en sterft af. Dit heet ook wel ‘herseninfarct’. Als een bloedvat scheurt gebeurt er iets heel anders: bloed lekt uit het bloedvat en drukt tegen het hersenweefsel. Dit is een hersenbloeding en alleen hierover gaat deze pagina. We delen hersenbloedingen in naar de plaats waar het bloed zich, na het weglekken, bevindt.   
 
1. De chronische subdurale bloeding
Het woord chronisch geeft aan dat het niet plots ontstaat maar geleidelijk. Het woord subduraal geeft aan dat het bloed zit onder het hersenvlies. De bloedvaten die op deze plaats makkelijk scheuren zijn de zogenaamde anker-vaten. Deze aderen, die het bloed van het hersenweefsel afvoeren, komen hier uit het hersenweefsel en zijn kwetsbaar. Vooral op oudere leeftijd kunnen ze door eenvoudig het hoofd te stoten al gaan lekken. Dit gaat langzaam en de bloeding groeit dus heel geleidelijk. Eerst zal dit gelekte bloed stollen maar na een tijdje wordt het stolsel weer vloeibaar omdat het lichaam het probeert op te ruimen.
 
 
 
 
 
 
 
Klachten ontstaan als dit opruimen niet goed lukt en er steeds weer een beetje bloed bij-lekt. Langzaam maar zeker wordt de vloeibaar geworden bloeduitstorting dan zo groot dat de hersenen er last van gaan krijgen. Dit duurt meestal weken tot maanden.  
 
Het hematoom dat binnen het hoofd plaats inneemt ten koste van de hersenen, geeft klachten van hoofdpijn en misselijkheid, soms met braken. Gaat de aandoening verder, dan kan de patiënt verlammingen van een arm of een been gaan vertonen, of hij kan spraakstoornissen krijgen waardoor hij niet meer kan zeggen wat hij eigenlijk wil zeggen (afasie). Ook kan hij epileptische aanvallen krijgen met schokken van armen en benen. Verder kunnen zijn geestelijke vermogens achteruit gaan (verwardheid, gedragsveranderingen) en kunnen er problemen ontstaan met het ophouden van de urine (incontinentie) waardoor ten onrechte aan het intreden van een dementie kan worden gedacht. Als de bloeding nog groter wordt kan de patiënt tenslotte toenemend slaperig en suf worden, of zelfs bewusteloos.  
 
Als de klachten ernstig genoeg zijn, zal doorgaans besloten worden tot een operatie. Dit kan zowel onder plaatselijke verdoving als onder algehele narcose worden uitgevoerd. Op één of twee plaatsen op het hoofd wordt via een klein sneetje in de hoofdhuid gaatje in de schedel geboord, precies boven de bloeding. Als vervolgens in dit gaatje ook het hersenvlies wordt opengeknipt stroomt de vloeibaar geworden bloeding uit de schedel naar buiten. Vaak wordt vervolgens door het gaatje een slangetje ingebracht in de bloedingsholte om meer van het oude bloed te kunnen wegspoelen. Tenslotte wordt dit slangetje aangesloten op een reservoir dat gedurende één of twee dagen blijft zitten. In het reservoir kunnen de laatste restjes van de bloeding nog worden opgevangen. Na de operatie herstelt het merendeel van de patiënten zich voorspoedig: voorheen bewusteloze patiënten worden wakker, de hoofdpijn, de verlammingen en de spraakstoornissen verdwijnen snel en na enkele dagen kunnen de patiënten weer grotendeels of geheel hersteld naar huis.  
 
Hoewel patiënten met een chronisch subduraal hematoom bijna altijd door de operatie genezen worden, gebeurt het een enkele keer dat ze zich niet meer herstellen, omdat bij hun de druk op de hersenen te lang heeft bestaan. Van de patiënten die wel herstellen, zijn er enkelen die na enige tijd dezelfde klachten vertonen vanwege een terugkeer (zogenaamd recidief) van de bloeding. Soms moet de nieuwe bloeding dan ook weer worden verwijderd (via dezelfde gaten in de schedel). In een enkel geval is de bloeidng niet goed vloeibaar geworden maar een vaste substantie waardoor het niet via een klain gaatje kan worden weggespoeld. In zo’n geval is het nodig om een luik in de schedel te zagen zodat er een ruimere toegang ontstaat en deze vaste bloeding kan worden weggehaald. Als een patiënt voorheen bloedverdunners gebruikte zullen die doorgaans worden gestaakt rondom de operatie. Na afloop is het belangrijk om goed te overleggen met de artsen of, en zo ja wanneer, dit weer mag worden gestart.
 
2. De acute subdurale bloeding
Dit type bloeding zit op dezelfde plaats als de hierboven beschreven bloeding: onder het hersenvlies. Maar in tegenstelling tot het voorgaande verloopt de bloeding nu veel sneller. Dat komt omdat deze bloedingen eigenlijk altijd het gevolg zijn van een ernstig hersenletsel. Dit kan optreden op alle leeftijden en gaat vaak gepaard met kneuzing van het hersenweefsel zelf. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een val van de trap of een auto-ongeval. In tegenstelling tot het chronische subdurale hematoom waarvan de vooruitzichten bij behandeling goed zijn, sterft het merendeel van de patiënten met een acuut subduraal hematoom, wat voornamelijk te wijten is aan de ernstige bijkomende hersenbeschadigingen. Als de chirurg kans ziet op tijd te opereren wordt in dit geval altijd een groot schedelluik gemaakt, om twee redenen. Ten eerste heeft deze bloeding geen tijd gehad om vloeibaar te worden en is het een stevig stolsel dat niet door een gaatje naar buiten zal komen. Ten tweede kan het hersenweefsel door de bijkomende kneuzingen gaan opzwellen waardoor er ruimte voor deze zwelling moet worden gemaakt. In dat geval wordt het uitgenomen schedelluik ook niet meteen teruggeplaatst. Het bewaren van dit luik kan door het te laten steriliseren of door het tijdelijk onder de huid van de buik (naast de navel) te plaatsen. De vooruitzichten van dit alles zijn erg afhankelijk van de ernst van het hersenletsel (en eventueel bijkomend ander letsel) en hoe snel er kon worden ingegrepen.  
 
3. De epidurale bloeding
Dit is een bloeding bovenop het hersenvlies, in plaats van eronder, dus eigenlijk direct onder het schedelbot. Dit ontstaan meestal als gevolg van een klap op het hoofd waarbij een barst in de schedel ontstaat. De scherpen randen van deze barsten kunnen een slagader van het hersenvlies stuk snijden waardoor de bloeding ontstaat.  
 
 
 
 
 
 
Al na enkele uren leidt dit tot druk op de hersenen. Dit gaat dus nog steeds sneller dan de chronische subdurale bloeding maar een trager dan de epidurale bloeding. Het meest voorkomende beeld is dat iemand door een klap tegen het hoofd bewusteloos raakt en even later weer bijkomt. Vervolgens gaat het een tijdje goed waarna geleidelijk hoofdpijn, misselijkheid en uiteindelijk opnieuw bewusteloosheid optreden. Het gevaar van deze vertraging is dat iemand intussen naar bed is gegaan en dan niet meer wakker wordt. Om die reden wordt door artsen vaak een zogenaamd wek-advies gegeven: de instructie om de patiënt regelmatig ’s nachts wakker te maken om te zien of alles nog goed gaat.
 
Bij de operatie wordt weer een luikje gemaakt bovenop de plaats waar volgens de CT-scan het hematoom zich moet bevinden. Opnieuw is een gaatje niet voldoende omdat het nog een vast stolsel is. De chirurg ziet nu direct de stolsels die het hersenvlies indeuken. De stolsels worden verwijderd en de bloedende slagader wordt opgespoord en dicht geschroeid. Als een epidurale bloeding op tijd wordt geopereerd, is het herstel over het algemeen goed.  
 
4. De Subarachnoïdale bloeding
Bloedingen die ontstaan doordat een zwakke plek (aneurysma) barst, zitten in de ruimte waar het hersenvocht zich bevindt en vaak aan de onderkant van de hersenen. Deze karakteristieke bloeding noemen we de subarachnoïdale bloeding. Het bloed kan zich nu vermengen met het hersenvocht. De bloeding zelf hoeft meestal niet te worden geopereerd in dit geval, tenzij ook een te groot stolsel in het hersenweefsel zelf terecht is gekomen (zie tekening). De behandeling bestaat vooral uit het voorkomen van een herhaling door de zwakke plek, het aneurysma, te behandelen. Dit wordt op een andere pagina verder uitgelegd.  
 
 
 
 
5. De bloeding in het hersenweefsel zelf
Ook deze bloedingen kunnen ontstaan door het barsten van een vaatafwijking, of optreden bij een klap tegen het hoofd, maar meestal zijn ze het gevolg van het spontaan barsten van een klein vaatje in het hersenweefsel. Deze kan te zwak geworden zijn door een te hoge bloeddruk, door verzwakking van de vaatwand bij aderverkalking, suikerziekte of ontstekingen van de bloedvaten. Andere oorzaken kunnen zijn stoornissen van de bloedstolling of bloedziekten. Dit soort bloedingen beschadigen het omliggende hersenweefsel direct wanneer ze ontstaan. Dit kan leiden tot verlammingen, spraakproblemen, bewusteloosheid en overleiden. Meestal heeft het helaas weinig zin om ze te opereren omdat de schade al aangericht is. In uitzonderlijke gevallen heeft een operatie wel zin omdat de aanvankelijke schade meeviel maar er te lang en te hard op het omliggende weefsel wordt gedrukt. Om dit op te heffen moet weer een luik worden gemaakt in de schedel. Dit keer moet ook het hersenweefsel worden geopend om de bloeding te vinden en een deel ervan te verwijderen. Meestal wordt niet alles verwijderd omdat dan het hersenweefsel ook weer meer beschadigd kan worden. Nogmaals, in verreweg de meeste gevallen zal niet voor deze operatie gekozen worden.  
 
 

Datum laatste revisie van deze tekst: juli 2015.